Blog

De vervangdrang moet gerenoveerd worden om de bouw structureel te vergroenen

De bouwsector had zich in 2021 al ten doel gesteld om in 2030 onder andere 60% stikstofreductie, en 0,4 mton CO2-reductie te realiseren. Met de perfecte najaarsstorm op het gebied van uitstoot in de bouwsector die de afgelopen maanden opstak, is de duurzaamheidstransitie van de sector verder op scherp gezet. Door de gestegen prijzen van grondstoffen en materialen stonden onderwerpen als circulariteit en hergebruik al hoger op de agenda in de sector. Maar sinds de uitspraak van de Raad van State in de Porthos-zaak domineert het thema ‘vergroening’ ieder discours. Gelukkig schiet de overheid te hulp door flink in de buidel te tasten en de sector te helpen in hun emissievrije transitie. Echter zou een beleid dat naast financiering ook oog heeft voor innovatie deze transitie nog vele malen verder kunnen versnellen.

Het geitenpaadje

Voor bouwbedrijven en aannemers is er sinds een paar maanden grote urgentie om over te stappen op bouwmaterieel dat geen stikstof meer uitstoot. Door de Porthos-uitspraak van begin november kwam de veelbesproken bouwvrijstelling te vervallen. Dit ‘geitenpaadje’, waarmee bouwbedrijven de stikstofuitstoot bij het realiseren van een nieuw project niet mee hoefden te tellen in de vergunningsaanvraag, werd door de Raad van State begin november illegaal verklaard. Sindsdien tellen de vele dieselmotoren die worden gebruikt in de bouw dus ook mee voor de vergunningverlening. Daardoor wordt het een stuk moeilijker om toestemming voor een bouwproject te krijgen dan voorheen.
Waar op papier geen zogenaamde ‘stikstofruimte’ aanwezig is, moeten eerst andere uitstoters – zoals fabrieken of grote agrarische bedrijven – worden uitgekocht. De stikstofruimte die hiermee vrijkomt kan vervolgens voor de bouw worden ingezet. Maar omdat dit vaak kostbare en langdurige juridische procedures betreft, wordt steeds nadrukkelijker naar bouwbedrijven zelf gekeken om hun uitstoot terug te dringen.

Diesel-verslaving

Een voorname bron van uitstoot in de bouwsector zijn de vele dieselmotoren die bouwmachines aandrijven. Hoewel het vervallen van de Porthos- stikstofvrijstelling niet bepaald als donderslag bij heldere hemel kwam voor de bouw, is de sector voor een groot deel afhankelijk van fossiel aangedreven apparatuur. Omdat er geen ruimte voor is op het Nederlandse stroomnet, en omdat de werkzaamheden van tijdelijke aard zijn, moeten bouwplaatsen in hun eigen energiebehoeften voorzien, waardoor diesel(generatoren) het makkelijkste en meest kostenefficiënte alternatief zijn. Bovendien zorgen de hoge aanschafkosten van elektrische alternatieven of van het ombouwen van bestaande apparatuur ervoor dat het voor bouwbedrijven lastig is om de business case voor een transitie op schaal rond te maken: een nieuwe vloot elektrische hijskranen of graafmachines loopt al snel behoorlijk in de papieren.

Transitie-subsidie

Gelukkig komt de overheid nu extra te hulp. Het kabinet maakte recent bekend dat het 60 miljoen euro extra uittrekt om de bouwsector in 2023 te helpen om over te stappen op duurzamer bouwmaterieel. Het extra budget is onderdeel van een nieuwe pot van 400 miljoen euro die beschikbaar is gesteld om de sector schoner te laten bouwen. Het budget is bedoeld om financiële ruimte te creëren voor bouwbedrijven zodat ze versneld over kunnen stappen op materieel dat niet langer door fossiel, maar door elektriciteit of waterstof worden aangedreven.

Het is natuurlijk geweldig nieuws dat de overheid zo snel in actie komt en bereid is de bouwsector in hun groene transitie te ondersteunen. In potentie maken we daarmee een deugd van de tamelijk Nederlandse stikstof-nood: het is slechts een kwestie van tijd voordat er een internationale markt ontstaat voor de kennis die wordt opgedaan in het emissievrij maken van de bouw. Maar er is nóg een manier waarop deze transitie verder kan worden aangejaagd waar geen euro extra budget voor nodig is. Namelijk door niet alleen te focussen op het uitfaseren van het oude, maar tegelijkertijd ook rekening houden met de versnelde adoptie van nieuwe oplossingen.

Bureaucratie

Een concreet voorbeeld hiervan komt van Electriq Global, die zich specialiseert in innovatieve waterstofopslag. Dit bedrijf heeft verschillende generatoren voor de bouwsector ontwikkeld die compleet uitstootvrij zijn. Bovendien worden ze aangedreven door een unieke energiedrager: waterstof in poedervorm. Het grote voordeel van dit poeder is dat het een hogere energiedichtheid heeft dan het gangbare waterstof in gasvorm en vele malen gebruiksvriendelijker is: in plaats van onder hoge druk, kan het poeder in dozen worden vervoerd en jarenlang worden opgeslagen zonder energieverlies. Deze nieuwe energiedrager, in combinatie met generatoren die het poeder omzetten in stroom wordt steeds vaker ingezet om bouwmachines aan te drijven. Recent introduceerde het bedrijf, samen met RKB Kraanverhuur uit Ridderkerk, bijvoorbeeld de eerste mobiele hijskraan ter wereld die wordt aangedreven door dit poeder.

Maar aangezien de technologie op basis van zulke nieuwe energiedragers relatief nieuw zijn, betekent dat ook dat sommige vergunnings- en keuringstrajecten hier nog niet optimaal op zijn ingericht. Waar het bijvoorbeeld logisch is dat een dieselgenerator verplicht een roetfilter moet gebruiken, zijn zulke eisen voor een generator die uitsluitend water uitstoot natuurlijk totaal overbodig.

Kortom

Door naast het uitfaseren van oud materieel ook te focussen op het toetredings traject voor nieuwe oplossingen zoals deze, zou de Nederlandse overheid de vergroening van de bouwsector nog vele malen kunnen versnellen. En dat kost ze geen euro extra. Daarmee kunnen de modernste oplossingen op nog grotere schaal in gebruik worden genomen en worden de ambities van de sector veel makkelijker haalbaar.